Genlisea: verschil tussen versies
Geen bewerkingssamenvatting |
Geen bewerkingssamenvatting |
||
| Regel 11: | Regel 11: | ||
gevallen niet eenvoudig. | gevallen niet eenvoudig. | ||
[[Bestand:genlisea verspreiding01.jpg|250px|thumb|right| | [[Bestand:genlisea verspreiding01.jpg|250px|thumb|right|Kaart: verspreiding van de ''Genlisea'' soorten en de soortendichtheid (note: kaart is nog van voor de meest recente revisie van ''Genlisea'' getekend).]] | ||
=== Herkomst === | === Herkomst === | ||
''Genlisea'', komt verspreid voor in Zuid en Midden | ''Genlisea'', komt verspreid voor in Zuid en Midden | ||
| Regel 21: | Regel 21: | ||
zuidelijk Afrika (zie de kaart rechts). | zuidelijk Afrika (zie de kaart rechts). | ||
===De Genen=== | |||
Recentelijk is Genlisea volop in de schijnwerpers van de wetenschappelijke | Recentelijk is ''Genlisea'' volop in de schijnwerpers van de wetenschappelijke | ||
wereld komen te staan omdat enkele soorten uit dit geslacht (G. aurea en | wereld komen te staan omdat enkele soorten uit dit geslacht (''G. aurea'' en | ||
G. margaretae) het kleinste genoom (chromosomen set) bezitten van alle | ''G. margaretae'') het kleinste genoom (chromosomen set) bezitten van alle | ||
zaadplanten (zelfs kleiner dan bij sommige bacteriën!). | zaadplanten (zelfs kleiner dan bij sommige bacteriën!). Verrassend hierbij | ||
is dat binnen Genlisea zowel het kleinste en het grootste genoom van de | is dat binnen ''Genlisea'' zowel het kleinste en het grootste genoom van de | ||
Lentibulariacea voorkomt met een factor 24 verschil in grootte van het | ''Lentibulariacea'' voorkomt met een factor 24 verschil in grootte van het | ||
genoom. Dit in combinatie met nog enkele andere bijzondere eigenschappen | genoom. Dit in combinatie met nog enkele andere bijzondere eigenschappen | ||
maakt Genlisea tot een perfect model voor genetici met het ultra kleine | maakt ''Genlisea'' tot een perfect model voor genetici met het ultra kleine | ||
genoom als kern (focus) voor nader onderzoek. | genoom als kern (focus) voor nader onderzoek. | ||
Bij alle soorten Genlisea zijn de wortels vervangen door zogenaamde | |||
[[Bestand:genlisea val01.jpg|250px|thumb|right|''Genlisea''’s wortelstructuur, ook zichtbaar zijn de spatel- of lancetvormige bladeren.]] | |||
===De Val=== | |||
Bij alle soorten ''Genlisea'' zijn de wortels vervangen door zogenaamde | |||
“rhizophyllen” (wortelachtige structuren zie de foto rechts), dit zijn | “rhizophyllen” (wortelachtige structuren zie de foto rechts), dit zijn | ||
eigenlijk een soort vervormde bladeren. De chlorofylloze, ondergrondse | eigenlijk een soort vervormde bladeren. De chlorofylloze, ondergrondse | ||
Versie van 6 mei 2012 23:08
kurkentrekkerplant
De planten van het geslacht Genlisea behoren tot één van de minst bekende vleesetende planten, en onbekend maakt onbemind. Het is pas vrij recent aangetoond dat het daadwerkelijk een vleesetende plant is, gespecialiseerd in protozoa en andere kleine bodem organismen.
Het geslacht Genlisea behoort samen met blaasjeskruid (Utricularia) en vetblad (Pinguicula) tot de Lenitubulariaceae familie en bestond tot voor kort uit minstens 22 soorten (plus nog enkele soorten waarvan de formele beschrijving in voorbereiding is) maar inmiddels zijn er 5 nieuwe soorten aan het totaal toegevoegd. Identificatie van de soorten is overigens in de meeste gevallen niet eenvoudig.
Herkomst
Genlisea, komt verspreid voor in Zuid en Midden Amerika (inclusief Cuba) en ook in Afrika (inclusief Madagaskar). Op enkele plekken komen meerdere soorten naast elkaar voor: waarbij de grootste soortendichtheid kan worden gevonden in het Zuidoosten van Brazilië (waar lokaal zeker 7 soorten naast elkaar voorkomen) de hooglanden van Guyana (Gran Sabana en de tepuis) en in het stroomgebied van de Zambezi rivier in zuidelijk Afrika (zie de kaart rechts).
De Genen
Recentelijk is Genlisea volop in de schijnwerpers van de wetenschappelijke wereld komen te staan omdat enkele soorten uit dit geslacht (G. aurea en G. margaretae) het kleinste genoom (chromosomen set) bezitten van alle zaadplanten (zelfs kleiner dan bij sommige bacteriën!). Verrassend hierbij is dat binnen Genlisea zowel het kleinste en het grootste genoom van de Lentibulariacea voorkomt met een factor 24 verschil in grootte van het genoom. Dit in combinatie met nog enkele andere bijzondere eigenschappen maakt Genlisea tot een perfect model voor genetici met het ultra kleine genoom als kern (focus) voor nader onderzoek.
De Val
Bij alle soorten Genlisea zijn de wortels vervangen door zogenaamde “rhizophyllen” (wortelachtige structuren zie de foto rechts), dit zijn eigenlijk een soort vervormde bladeren. De chlorofylloze, ondergrondse “rhizophyllen” hebben de vorm van een (omgekeerde) Y bestaande uit een bolle blaasjesachtige structuur aan de basis met een buisvormige nek eindigend in twee, helixvormige, gedraaide vangarmen. Deze vangbladeren zijn in staat om kleine ongewervelde diertjes en algen te lokken en te vangen, Jaargang 26 (1) 2012 9 Kaart: verspreiding van de Genlisea soorten en de soortendichtheid (note: kaart is nog voor de meest recente revisie van Genlisea getekend). Genlisea’s wortelstructuur, ook zichtbaar zijn de spatel- of lancetvormige bladeren. Rhizophyllen “maag“ 10 Nieuwsblad Carnivora Links en rechts: Genlisea violacea “Itacambira giant”, gaat tegenwoordig door het leven als Genlisea flexuosa. Boven: Genlisea roraimensis, links: Genlisea repens Beide soorten komen naast elkaar voor, o.a. op Mount Roraima en behoren allebei tot het subgenus Genlisea. Alle fotos’s: Goed zichtbaar is het tweezijdig symmetrische zijn van de Genlisea bloemen, kenmerkend voor de Lenitubulariaceae. Jaargang 26 (1) 2012 11 dit gebeurt waarschijnlijk niet selectief. De prooi kan de rhizophyllen op twee manieren binnenkomen: via kleine openingen in de helixvormige armen of via de grotere opening bij het punt waar beide armen samenkomen. Vanaf daar wordt de prooi verder getransporteerd tot in het buisvormige binnenste van de blaasvormige val door middel van rijen superkleine haartjes die slechts uit 2 tot 3 cellen bestaan. Hierdoor is alleen transport in de richting van het verre einde van de blad val mogelijk (vergelijkbaar met een kreeftenfuik). De prooi hoopt zich op in een holle kamer aan het verre eind van de val waar het waarschijnlijk door een gebrek aan zuurstof sterft. Door interne klierharen worden eiwit splitsende enzymen aangemaakt die uiteindelijk voor de vertering zorgen. Het exacte vangmechanisme van Genlisea blijft echter onduidelijk, er zijn tegenstrijdige aanwijzingen over het al dan niet actief vangen van de prooi maar meest waarschijnlijk is toch dat Genlisea zijn prooi passief vangt. De planten uit het geslacht Genlisea zijn in het algemeen kleine eenjarige of (vaker) overblijvende en vaak onopvallende kruiden. Dat sommige soorten als eenjarige groeien is vooral een strategie om droge tijden te overleven, opvallend genoeg zijn er een aantal soorten, zoals bijvoorbeeld G. violacea, facultatief eenjarig: in het wild zijn ze vaak eenjarig maar bij optimale omstandigheden (in cultuur) blijken ze “ineens” meerjarig te zijn. In Brazilië is een “G. pygmaea” variëteit aangetroffen met een aparte strategie om droge periodes te overleven: ze maakt net als bijvoorbeeld Utricularia menziessii en veel Drosera’s uit Zuidwest Australie knollen aan. Naast de vangbladeren bezitten de planten nog een tweede blad type: dit type blad bevat chlorofyl, ligt op de grond en is meestal spatelvormig of lancetvormig en vormt een min of meer dicht rozet (zie de foto met de wortelstructuur en aan het einde van het artikel), bij de meerjarige soorten wordt er vaak een kort rhizoom (wortelstok) gevormd. Genlisea repens is de enige soort die een kruipend, verlengd rhizoom vormt. De bloemen verschijnen in principe in een tros, over het algemeen gaan de bloemen aan slechts een kant tegelijk open. In sommige gevallen is de bloemstengel vertakt. De bloemstengel kan kaal zijn of bezet met haartjes of klieren. De bloemsteeltjes, bloemknop en de stijl zijn bij een aantal soorten bedekt met klieren die lijmdruppels afscheiden. De Genlisea bloem (zie de linkerpagina) is tweezijdig symmetrisch met de typische “drakenbek” vorm zoals bekend met gelijkenis bloemen van de verwante geslachten Pinguicula en Utricularia. 12 Nieuwsblad Carnivora De bloemkleur is meestal geel of violet, zelden wit-achtig of crème kleurig, opvallend genoeg komen geel bloeiende soorten alleen in Zuid Amerika voor. Genlisea komt vooral voor op voedselarme gronden die op zijn minst een flink deel van het jaar nat zijn zoals druipwanden op rotsen, moerasgraslanden, moerassen, kwartszand vlaktes en de uitlopers van rotseilanden. Enkele soorten zoals Genlisea guianensis groeien volledig aquatisch. Veel soorten zijn vrij klein met bloemstengels die 10-15 cm hoog reiken maar Genlisea unicnata uit Brazilie is de reus onder de Genlisea soorten, met bloemstengels die wel 120 cm hoog kunnen worden en met vallen die een diameter hebben vergelijkbaar met Sarracenia bekers, je kunt er makkelijk je vinger in steken. Het geslacht Genlisea is opgedeeld in twee ondergeslachten, deze zijn vooral te onderscheiden op de manier waarop hun zaadcapsules zich openen. Waar in het subgenus Tayloria de zaadcapsules zich in twee gelijke helften in de lengte richting openen, openen de zaadcapsules van het geslacht Genlisea via meerdere vrijwel rondlopende breuken overdwars waardoor soms een spiraalvormende opening ontstaat. Minder duidelijke verschillen tussen beide ondergeslachten zijn de vorm van de stuifmeelkorrels en in het distributie patroon van bepaalde klieren binnen in de vallen. Het subgenus Tayloria bevat drie soorten (Genlisea lobata, G. violacea, G. unicnata en de recentelijk beschreven G. flexuosa, G. Metallica, G. ologophylla, G. exhibitionista en G. nebulicola). Mogelijk zijn nog enkele nog niet beschreven dan wel soorten die tot nu toe genegeerd zijn en dan met name uit het G. violacea complex. De verspreiding van het subgenus Tayloria is beperkt tot de hooglanden van Zuidoost Brazilië waar enkele van deze soorten een zeer beperkte verspreiding hebben. Het ondergeslacht Genlisea komt zowel in Afrika als in de tropen van de Nieuwe wereld voor, maar geen enkel Genlisea soort komt zowel in Afrika als in de Amerika’s voor. Fascinerend is dat uit onderzoek aan het DNA van vrijwel alle bekende en sommige nog niet erkende soorten Genlisea kan worden afgeleid dat de wieg voor dit geslacht in de Nieuwe wereld (waarschijnlijk het tegenwoordige Brazilië) stond. Daar waar het ondergeslacht Tayloria volledig in Zuid Amerika voorkomt is het ondergeslacht Genlisea in beide werelddelen aanwezig, dit Jaargang 26 (1) 2012 13 ondergeslacht kan weer worden opgedeeld in twee groepen waarvan een in Zuid Amerika en de ander alleen in Afrika voorkomt. Eerst werd gedacht dat deze verdeling van de Genlisea soorten ontstaan was door de opdeling van het Supercontinent Gondwana in de continenten zoals we ze nu kennen, maar het geslacht Genlisea is waarschijnlijk jonger dan de splitsing van Gondwana. De nieuwste theorie is dat het geslacht zich eerst in Brazilië heeft gevestigd en vervolgens Afrika heeft bereikt (waarschijnlijk op “vlotten” die getransporteerd werden door krachtige oceaanstromingen). Vervolgens heeft Genlisea weer de weg terug naar Zuid Amerika weten te vinden waar zich een groep soorten bevindt met een grotere morfologische genetische gelijkenis met de Afrikaanse soorten. Genetisch onderzoek aan de diverse Genlisea soorten bevestigd de huidige indeling in twee ondergeslachten. Het ondergeslacht Genlisea kan op basis van moleculaire data, geografische verspreiding en de morfologie weer worden onderverdeeld in 3 duidelijke secties. Maar bracht ook aan het licht dat de huidige classificatie van Genlisea op de schop moet. Diverse soorten blijken op basis van de moleculaire data (in combinatie met de morfologie van de plant) te moeten worden opgesplitst in meerdere (onder)soorten: zo lijkt de G. pygmaea waarschijnlijk in 4 soorten te worden opgedeeld, met de knolvormende G. pygmaea als een aparte soort (deze is meer verwant aan G.aurea), G. repens wordt waarschijnlijk in (minstens) 2 soorten opgesplitst. Genlisea roraimensis in zijn natuurlijke, natte, habitat op Mount Roraima. 14 Nieuwsblad Carnivora Ook verschillende vormen van G. violacea zijn in werkelijkheid aparte soorten met duidelijk verschillende bloemen (G. violacea “Itacambira giant” (zie de foto’s op pag. 10), een in cultuur bekende variëteit is er daar één van en zal voortaan door het leven gaan als G. flexuosa). Er is ieder geval een natuurlijke Genlisea hybride bekend: G. margaretae x glandulosissima in Noordoost Zambia. Verder is de kunstmatige kruising G. violacea x G. lobata bekend in cultuur (is eigenlijk G. flexuosa x lobata). Er zijn diverse Genlisea soorten in cultuur zoals G. violacaea, G. pygmaea, G. hispidula en G. margaratae. Zoals eerder vermeld zijn de meeste soorten meerderjarig met uitzondering van G. africana, G. angolensis, G. bartlothii (in cultuur wel meerjarig), G. stapfii en G. taylorii. Genlisea’s zijn over het algemeen vrij makkelijke planten om te kweken en kunnen op de zelfde manier behandeld worden als terristische Utricularia soorten (G. filiformis schijnt zelfs net zo te kunnen woekeren als bijvoorbeeld U. subulata). Ze groeien prima in Sphagnum maar kunnen ook goed in een mengsel van turf en zand worden gehouden. Genlisea gedijt het best bij een hoog water niveau (komt overeen met de omstandigheden waarbij ik ze heb zien groeien op Mt. Roraima) en heeft matig tot veel licht nodig. De optimumtemperatuur om Genlisea te kweken is 18-35°C en is dus niet winterhard. Een winterrust periode is niet nodig (misschien met uitzondering van de knolvormende soort). Genlisea is makkelijk te vermeerderen door middel van bladstekken: blaadjes kunnen voorzichtig worden los getrokken van de plant en vervolgens op levend Sphagnum worden gelegd (werkt in sommige gevallen ook met de vallen). Binnen afzienbare tijd heb je dan minstens een nieuw plantje. Bij sommige soorten is het de moeite waard om het blad eerst in delen snijden om zo meer jonge plantjes te krijgen. Veel meer informatie over Genlisea zal binnenkort te vinden zijn in de monografie van het geslacht Genlisea van Andreas Fleischmann.
