Genlisea
kurkentrekkerplant
De planten van het geslacht Genlisea behoren tot één van de minst bekende vleesetende planten, en onbekend maakt onbemind. Het is pas vrij recent aangetoond dat het daadwerkelijk een vleesetende plant is, gespecialiseerd in protozoa en andere kleine bodem organismen.
Het geslacht Genlisea behoort samen met blaasjeskruid (Utricularia) en vetblad (Pinguicula) tot de Lenitubulariaceae familie en bestond tot voor kort uit minstens 22 soorten (plus nog enkele soorten waarvan de formele beschrijving in voorbereiding is) maar inmiddels zijn er 5 nieuwe soorten aan het totaal toegevoegd. Identificatie van de soorten is overigens in de meeste gevallen niet eenvoudig.
Herkomst
Genlisea, komt verspreid voor in Zuid en Midden Amerika (inclusief Cuba) en ook in Afrika (inclusief Madagaskar). Op enkele plekken komen meerdere soorten naast elkaar voor: waarbij de grootste soortendichtheid kan worden gevonden in het Zuidoosten van Brazilië (waar lokaal zeker 7 soorten naast elkaar voorkomen) de hooglanden van Guyana (Gran Sabana en de tepuis) en in het stroomgebied van de Zambezi rivier in zuidelijk Afrika (zie de kaart rechts).
De Genen
Recentelijk is Genlisea volop in de schijnwerpers van de wetenschappelijke wereld komen te staan omdat enkele soorten uit dit geslacht (G. aurea en G. margaretae) het kleinste genoom (chromosomen set) bezitten van alle zaadplanten (zelfs kleiner dan bij sommige bacteriën!). Verrassend hierbij is dat binnen Genlisea zowel het kleinste en het grootste genoom van de Lentibulariacea voorkomt met een factor 24 verschil in grootte van het genoom. Dit in combinatie met nog enkele andere bijzondere eigenschappen maakt Genlisea tot een perfect model voor genetici met het ultra kleine genoom als kern (focus) voor nader onderzoek.
De Val
Bij alle soorten Genlisea zijn de wortels vervangen door zogenaamde “rhizophyllen” (wortelachtige structuren zie de foto rechts), dit zijn eigenlijk een soort vervormde bladeren. De chlorofylloze, ondergrondse “rhizophyllen” hebben de vorm van een (omgekeerde) Y bestaande uit een bolle blaasjesachtige structuur aan de basis met een buisvormige nek eindigend in twee, helixvormige, gedraaide vangarmen. Deze vangbladeren zijn in staat om kleine ongewervelde diertjes en algen te lokken en te vangen,
Links en rechts: Genlisea violacea “Itacambira giant”, gaat tegenwoordig door het
leven als Genlisea flexuosa.
Boven: Genlisea roraimensis,
links: Genlisea repens
Beide soorten komen naast elkaar
voor, o.a. op Mount Roraima en
behoren allebei tot het subgenus
Genlisea.
Alle fotos’s: Goed zichtbaar is het
tweezijdig symmetrische zijn van
de Genlisea bloemen, kenmerkend
voor de Lenitubulariaceae.
Jaargang 26 (1) 2012 11
dit gebeurt waarschijnlijk niet selectief. De prooi kan de rhizophyllen op twee
manieren binnenkomen: via kleine openingen in de helixvormige armen of
via de grotere opening bij het punt waar beide armen samenkomen. Vanaf
daar wordt de prooi verder getransporteerd tot in het buisvormige binnenste
van de blaasvormige val door middel van rijen superkleine haartjes die slechts
uit 2 tot 3 cellen bestaan. Hierdoor is alleen transport in de richting van het
verre einde van de blad val mogelijk (vergelijkbaar met een kreeftenfuik).
De prooi hoopt zich op in een holle kamer aan het verre eind van de val
waar het waarschijnlijk door een gebrek aan zuurstof sterft. Door interne
klierharen worden eiwit splitsende enzymen aangemaakt die uiteindelijk voor
de vertering zorgen.
Het exacte vangmechanisme van Genlisea blijft echter onduidelijk, er zijn
tegenstrijdige aanwijzingen over het al dan niet actief vangen van de prooi
maar meest waarschijnlijk is toch dat Genlisea zijn prooi passief vangt.
De planten uit het geslacht Genlisea zijn in het algemeen kleine eenjarige of
(vaker) overblijvende en vaak onopvallende kruiden. Dat sommige soorten
als eenjarige groeien is vooral een strategie om droge tijden te overleven,
opvallend genoeg zijn er een aantal soorten, zoals bijvoorbeeld G. violacea,
facultatief eenjarig: in het wild zijn ze vaak eenjarig maar bij optimale
omstandigheden (in cultuur) blijken ze “ineens” meerjarig te zijn. In Brazilië
is een “G. pygmaea” variëteit aangetroffen met een aparte strategie om droge
periodes te overleven: ze maakt net als bijvoorbeeld Utricularia menziessii
en veel Drosera’s uit Zuidwest Australie knollen aan. Naast de vangbladeren
bezitten de planten nog een tweede blad type: dit type blad bevat chlorofyl,
ligt op de grond en is meestal spatelvormig of lancetvormig en vormt een min
of meer dicht rozet (zie de foto met de wortelstructuur en aan het einde van het
artikel), bij de meerjarige soorten wordt er vaak een kort rhizoom (wortelstok)
gevormd. Genlisea repens is de enige soort die een kruipend, verlengd rhizoom
vormt. De bloemen verschijnen in principe in een tros, over het algemeen
gaan de bloemen aan slechts een kant tegelijk open. In sommige gevallen is
de bloemstengel vertakt. De bloemstengel kan kaal zijn of bezet met haartjes
of klieren. De bloemsteeltjes, bloemknop en de stijl zijn bij een aantal soorten
bedekt met klieren die lijmdruppels afscheiden. De Genlisea bloem (zie de
linkerpagina) is tweezijdig symmetrisch met de typische “drakenbek” vorm
zoals bekend met gelijkenis bloemen van de verwante geslachten Pinguicula
en Utricularia.
12 Nieuwsblad Carnivora
De bloemkleur is meestal geel of violet, zelden wit-achtig of crème kleurig,
opvallend genoeg komen geel bloeiende soorten alleen in Zuid Amerika voor.
Genlisea komt vooral voor op voedselarme gronden die op zijn minst een flink
deel van het jaar nat zijn zoals druipwanden op rotsen, moerasgraslanden,
moerassen, kwartszand vlaktes en de uitlopers van rotseilanden. Enkele
soorten zoals Genlisea guianensis groeien volledig aquatisch.
Veel soorten zijn vrij klein met bloemstengels die 10-15 cm hoog reiken
maar Genlisea unicnata uit Brazilie is de reus onder de Genlisea soorten, met
bloemstengels die wel 120 cm hoog kunnen worden en met vallen die een
diameter hebben vergelijkbaar met Sarracenia bekers, je kunt er makkelijk je
vinger in steken.
Het geslacht Genlisea is opgedeeld in twee ondergeslachten, deze zijn vooral
te onderscheiden op de manier waarop hun zaadcapsules zich openen. Waar
in het subgenus Tayloria de zaadcapsules zich in twee gelijke helften in de
lengte richting openen, openen de zaadcapsules van het geslacht Genlisea
via meerdere vrijwel rondlopende breuken overdwars waardoor soms een
spiraalvormende opening ontstaat.
Minder duidelijke verschillen tussen beide ondergeslachten zijn de vorm van
de stuifmeelkorrels en in het distributie patroon van bepaalde klieren binnen
in de vallen.
Het subgenus Tayloria bevat drie soorten (Genlisea lobata, G. violacea,
G. unicnata en de recentelijk beschreven G. flexuosa, G. Metallica, G.
ologophylla, G. exhibitionista en G. nebulicola). Mogelijk zijn nog enkele
nog niet beschreven dan wel soorten die tot nu toe genegeerd zijn en dan met
name uit het G. violacea complex. De verspreiding van het subgenus Tayloria
is beperkt tot de hooglanden van Zuidoost Brazilië waar enkele van deze
soorten een zeer beperkte verspreiding hebben. Het ondergeslacht Genlisea
komt zowel in Afrika als in de tropen van de Nieuwe wereld voor, maar geen
enkel Genlisea soort komt zowel in Afrika als in de Amerika’s voor.
Fascinerend is dat uit onderzoek aan het DNA van vrijwel alle bekende en
sommige nog niet erkende soorten Genlisea kan worden afgeleid dat de wieg
voor dit geslacht in de Nieuwe wereld (waarschijnlijk het tegenwoordige
Brazilië) stond. Daar waar het ondergeslacht Tayloria volledig in Zuid Amerika
voorkomt is het ondergeslacht Genlisea in beide werelddelen aanwezig, dit
Jaargang 26 (1) 2012 13
ondergeslacht kan weer worden opgedeeld in twee groepen waarvan een in
Zuid Amerika en de ander alleen in Afrika voorkomt. Eerst werd gedacht
dat deze verdeling van de Genlisea soorten ontstaan was door de opdeling
van het Supercontinent Gondwana in de continenten zoals we ze nu kennen,
maar het geslacht Genlisea is waarschijnlijk jonger dan de splitsing van
Gondwana. De nieuwste theorie is dat het geslacht zich eerst in Brazilië heeft
gevestigd en vervolgens Afrika heeft bereikt (waarschijnlijk op “vlotten” die
getransporteerd werden door krachtige oceaanstromingen). Vervolgens heeft
Genlisea weer de weg terug naar Zuid Amerika weten te vinden waar zich een
groep soorten bevindt met een grotere morfologische genetische gelijkenis
met de Afrikaanse soorten.
Genetisch onderzoek aan de diverse Genlisea soorten bevestigd de huidige
indeling in twee ondergeslachten. Het ondergeslacht Genlisea kan op basis
van moleculaire data, geografische verspreiding en de morfologie weer
worden onderverdeeld in 3 duidelijke secties. Maar bracht ook aan het licht
dat de huidige classificatie van Genlisea op de schop moet. Diverse soorten
blijken op basis van de moleculaire data (in combinatie met de morfologie
van de plant) te moeten worden opgesplitst in meerdere (onder)soorten: zo
lijkt de G. pygmaea waarschijnlijk in 4 soorten te worden opgedeeld, met de
knolvormende G. pygmaea als een aparte soort (deze is meer verwant aan
G.aurea), G. repens wordt waarschijnlijk in (minstens) 2 soorten opgesplitst.
Genlisea roraimensis in zijn natuurlijke, natte, habitat op Mount Roraima.
14 Nieuwsblad Carnivora
Ook verschillende vormen van G. violacea zijn in werkelijkheid aparte soorten
met duidelijk verschillende bloemen (G. violacea “Itacambira giant” (zie de
foto’s op pag. 10), een in cultuur bekende variëteit is er daar één van en zal
voortaan door het leven gaan als G. flexuosa).
Er is ieder geval een natuurlijke Genlisea hybride bekend: G. margaretae x
glandulosissima in Noordoost Zambia. Verder is de kunstmatige kruising G.
violacea x G. lobata bekend in cultuur (is eigenlijk G. flexuosa x lobata).
Er zijn diverse Genlisea soorten in cultuur zoals G. violacaea, G. pygmaea,
G. hispidula en G. margaratae. Zoals eerder vermeld zijn de meeste soorten
meerderjarig met uitzondering van G. africana, G. angolensis, G. bartlothii
(in cultuur wel meerjarig), G. stapfii en G. taylorii. Genlisea’s zijn over het
algemeen vrij makkelijke planten om te kweken en kunnen op de zelfde
manier behandeld worden als terristische Utricularia soorten (G. filiformis
schijnt zelfs net zo te kunnen woekeren als bijvoorbeeld U. subulata). Ze
groeien prima in Sphagnum maar kunnen ook goed in een mengsel van turf
en zand worden gehouden. Genlisea gedijt het best bij een hoog water niveau
(komt overeen met de omstandigheden waarbij ik ze heb zien groeien op
Mt. Roraima) en heeft matig tot veel licht nodig. De optimumtemperatuur
om Genlisea te kweken is 18-35°C en is dus niet winterhard. Een winterrust
periode is niet nodig (misschien met uitzondering van de knolvormende soort).
Genlisea is makkelijk te vermeerderen door middel van bladstekken: blaadjes
kunnen voorzichtig worden los getrokken van de plant en vervolgens op
levend Sphagnum worden gelegd (werkt in sommige gevallen ook met de
vallen). Binnen afzienbare tijd heb je dan minstens een nieuw plantje. Bij
sommige soorten is het de moeite waard om het blad eerst in delen snijden om
zo meer jonge plantjes te krijgen.
Veel meer informatie over Genlisea zal binnenkort te vinden zijn in de
monografie van het geslacht Genlisea van Andreas Fleischmann.
